Het ontstaan de Frechie Stichting en de begraafplaats te Putte

Rond 1816 hebben de eerste 40 Joodse gezinnen in Antwerpen zich tot een gemeenschap verbonden om hun aanwezigheid aan de toenmalige gouverneur van de Scheldestad te melden met als doel van de godsdienstvrijheid volgens de nieuwe grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden te kunnen genieten. Deze vrijheid werd later ook in de Belgische grondwet opgenomen bij de uitroeping van het Koninkrijk der Belgen in 1830. Deze godsdienstvrijheid hield de toestemming in tot Joodse rituele begrafenissen, echter met uitsluiting van een eeuwigdurende concessie voor begraafplaatsen in België.

 

De Joodse gemeenschap groeide inmiddels sterk aan, aanvankelijk met immigranten uit Nederland. Dit waren hoofdzakelijk havenarbeiders, later ook Amsterdams Joodse diamantbewerkers. Veel patroons hadden immers hun bedrijf naar Antwerpen verplaatst en zodoende, wilden zij niet werkloos worden, werden zij verplicht hen naar Antwerpen te volgen. Deze immigranten kwamen gewoonlijk per schip van de toen bestaande "Batavier-lijn" via Rotterdam naar Antwerpen. Rond die tijd woonde in de Hoogstraat van Antwerpen de heer Henri Frechie, Nederlander van Joodse oorsprong, met zijn familie. Hij was sigarenfabrikant van beroep, beëdigd tolk, reisleider en tevens uitbater van een koffiehuis. Dit laatste was bekend bij de immigranten en werd na hun aankomst hun eerste ontmoetingsplaats waarna zij er geregeld bijeenkwamen. Vanuit financieel oogpunt gezien hadden deze mensen het niet breed en wanneer er zich een sterfgeval voordeed, was er meestal te weinig geld om de aflijvige een behoorlijke begrafenis volgens Joodse ritus te geven. In zulk geval werd er in het koffiehuis collecte gehouden om alsnog de begrafenis te kunnen bekostigen.

Zo kwam de heer Henri Frechie samen met enkele andere welgestelden op het idee een begrafenisvereniging te stichten naar Nederlands-Joods voorbeeld. Iedere Joodse familie uit de gemeenschap kon er lid van worden mits een kleine maandelijkse bijdrage, zodat in geval van overlijden er geen collecte meer hoefde gegaan te worden en op deze wijze een behoorlijke begrafenis verzekerd was.

Op 16 maart 1884 werd dan overgegaan tot de stichting van de "Nederlandse Israëlitische Begrafenisvereniging Antwerpen". De akte van de stichting werd officieel voor een notaris verleden en in Antwerpen werd een kantoor gevestigd. Als vanzelfsprekend werd de heer Henri Frechie als eerste voorzitter verkozen. 

Oorspronkelijk was de vereniging enkel bedoeld om in de onkosten van een begrafenis te voorzien. Echter door de grote uitbreiding van de vereniging werd er besloten een eigen begraafplaats aan te schaffen. Tot dan werd er begraven op de Kiel-begraafplaats te Antwerpen, waar de grond echter niet eeuwigdurend was. Daarom kwam er de gedachte om in Nederland een geschikt terrein te zoeken om er een Joodse begraafplaats in te richten, temeer omdat in Nederland een Joodse begraafplaats wettelijk niet ontruimd mag worden. Op deze wijze kon voor de overledenen een ongestoorde rustplaats worden gevonden.

Met toestemming van de gemeente Putte (Noord Brabant, Nederland) werd op 3 maart 1910 van de gemeente een stuk grond van 2.469 ha aangekocht om als begraafplaats in gebruik genomen te worden. Op 28 juni 1933 werd daar nog een aanpalend stuk grond van 1.16 ha bijgevoegd.

Ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan der vereniging werd in 1924 door de leden op de begraafplaats een ontvangsthuis opgericht. Na de begrafenisplechtigheid wordt daar aan de naaste familieleden een eerste maaltijd aangeboden bestaande uit brood en een ei, symbool dat het leven verder gaat, en ook om de eerste blijken van rouwbeklag in ontvangst te kunnen nemen. In navolging van een Amsterdams-Joodse traditie wordt aan alle aanwezigen bij een begrafenis koffie en cake aangeboden.

Op 21 juni 1931 werd de vereniging, teneinde het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid, omgezet in een stichting genaamd “Israëlitische Begrafenis Vereeniging Antwerpen – Frechie Stichting”.

In 1933 werden een aantal die op de Kiel-begraafplaats begraven waren en waarvan de concessies verstreken en voor opruiming in aanmerking kwamen, door de Stichting mits toelating van de plaatselijke overheid, opgegraven en op onze begraafplaats opnieuw aan de aarde werden toevertrouwd. Hetzelfde gebeurde gedurende de jaren 1963-1970 voor een aantal die van de begraafplaats Schoonselhof naar Putte werden overgebracht.

In 1970 werden de doden van de oude Joodse begraafplaats te St. Servais (bij Namen) overgebracht naar de begraafplaats van de Frechie Stichting. Een monument werd hierbij opgesteld.

Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Frechie Stichting werd op 17 juni 1984 een monument opgericht aan de ingang van de begraafplaats van de Frechie Stichting te Putte. Dit monument herdenkt tevens de slachtoffers van dee Holocaust.

 

Al onze doden met dezelfde ceremonie ter aarde worden besteld. Allen krijgen zonder onderscheid des persoon dezelfde ruwhouten lijkkist en dezelfde doodskleding, welke bestaat uit een wit lijnwaad pak, verschillend voor man of vrouw en zo gemaakt dat het met lusjes aan het lichaam wordt vastgeknoopt. De wassing, het aankleden zowel als de kisting wordt gedaan door heel vrome mensen. Zij, zowel als het bestuur van de Frechie-Stichting zijn onbezoldigd en beschouwen hetgeen zij doen als een goede daad. 

Het is toegelaten op onze graven levende bloemen neer te leggen, bloempotten en planten mogen niet; Op het graf van een dode mag geen leven bloeien. Ook kunstbloemen zijn verboden

Vanaf het ontstaan der stichting was en is nog steeds een Nederlandse Opperrabbijn de geestelijke raadgever. Ongeveer een week voor het Joodse Nieuwjaar is er een officieel gravenbezoek, de dag dat wij onze doden herdenken. Onze geestelijke leider is dan ook aanwezig en houdt een redevoering, terwijl aan onze leden kosteloos vervoer naar Putte wordt aangeboden.